Payroll-werknemer heeft geen dienstverband met de inlener
Tot nu toe is de lagere rechtspraak verdeeld als het gaat om de vraag of een payroll-werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de inlener. Het Hof Leeuwarden beantwoordde deze vraag ontkennend.
Payroll-constructies winnen aan populariteit. Er bestaat echter geen wettelijke definitie van het begrip ‘payrolling’. Over het algemeen wordt de verhouding tussen de payroll-onderneming en de werknemer aangeduid als een bijzondere vorm van de uitzendovereenkomst. Het verschil met de traditionele uitzendverhouding is dat bij payrolling de werving en selectie door de inlener zelf wordt gedaan. De payroll-onderneming gaat vervolgens een arbeidsovereenkomst met de werknemer aan en stelt hem ter beschikking aan de inlener om onder diens leiding en toezicht werkzaamheden te verrichten.
Arbeidsovereenkomst
In 2004 zijn een werknemer en een payroll-onderneming een
overeenkomst van opdracht overeengekomen. De werknemer verricht
redactiewerkzaamheden voor een inlener. In 2005, 2006 en 2007 heeft
de inlener beoordelingsgesprekken met de werknemer gevoerd, die
telkens tot salarisverhoging hebben geleid. In 2009 laat de inlener
aan de werknemer weten dat de samenwerking niet zal worden
verlengd. De werknemer is van mening dat hij een
arbeidsovereenkomst heeft met de inlener en roept de
vernietigbaarheid van het ontslag in. Hij vordert in kort geding
doorbetaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer
inderdaad werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst met de
inlener en wijst de vordering van de werknemer toe.
Beoordelingsgesprekken
In hoger beroep krijgt de inlener het gelijk aan zijn zijde. Op basis van de feiten is het volgens het hof weinig aannemelijk dat de rechtsverhouding tussen de werknemer en de inlener in een bodemprocedure wordt gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft immers alleen een schriftelijke overeenkomst met de payroll-onderneming gesloten. De werknemer kon op basis van de inhoud van die overeenkomst weten wat rol van de payroll-onderneming zou zijn. Dat de inlener beoordelingsgesprekken met de werknemer heeft gevoerd, maakt dat niet anders. Beoordeling van de prestaties is immers ook binnen het kader van detachering of inlening niet ongebruikelijk.
Constructie niet geëindigd
Het hof oordeelt ook dat niet is gebleken dat de oorspronkelijke
constructie via de payroll-onderneming op enig moment is geëindigd.
De werknemer heeft daarnaast nooit eerder aan de inlener kenbaar
gemaakt dat hij zich als werknemer van de inlener beschouwde. Met
het oog op de rechtszekerheid kan er geen sprake zijn van een
geruisloze overgang van de payroll-constructie naar een
arbeidsovereenkomst met de inlener. Het hof vernietigt het vonnis
van de kantonrechter en wijst de vorderingen van werknemer alsnog
af.
Het is voor inleners van belang dat de payroll-condities goed op papier staan en dat er geen onduidelijkheid bestaat over de werkgever van de payroll-werknemer.
Hof Leeuwarden, 23 maart 2010, LJN: BL9881
Bron: Redactie HRpraktijk.nl
Auteur: mr. dr. G.W. van der Voet, AKD

