Richtlijnen uit de PGS-reeks

De opslag van zogeheten gevaarlijke stoffen (kortweg: wanneer daar een ADR-etiket op zit) kan risico’s veroorzaken zoals explosies, brand of de verspreiding van giftige stoffen. Ten behoeve van een veilige opslag zijn richtlijnen uitgebracht in de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS).

Bedrijven met een omgevingsvergunning zijn niet rechtstreeks gebonden aan PGS-richtlijnen: voor hen geldt uitsluitend hetgeen in de vergunning is opgenomen. Wel is het gebruikelijk dat in vergunningen naar deze richtlijnen wordt verwezen. Voor zover de letterlijke tekst van een richtlijn tot knelpunten leidt, kan daarvan bij vergunningverlening worden afgeweken. Bedrijven die geheel onder het Activiteitenbesluit vallen (Type A- en Type B-bedrijven) zijn wel aan de richtlijnen gebonden omdat het Activiteitenbesluit rechtstreeks daarnaar verwijst. Via maatwerkvoorschriften kan van de letterlijke tekst van de richtlijnen worden afgeweken.

Op www.prgs.nl kunnen alle bestaande richtlijnen worden ingezien en gratis worden gedownload. De meest geraadpleegde richtlijnen zijn:

  • PGS 9: opslag van cryogene gassen in tanks tot 150 m3
  • PGS 15: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
  • PGS 19: opslag en toepassing van propaan
  • PGS 28: opslag van vloeibare brandstoffen in ondergrondse tanks
  • PGS 30: opslag van vloeibare brandstoffen in bovengrondse tanks

In voorbereiding is richtlijn PGS 31, voor de opslag van andere stoffen dan brandstoffen in tanks. De planning is, dat deze in het voorjaar van 2017 wordt vastgesteld.

Richtlijn PGS 15 is eind 2016 flink gewijzigd. Strikt genomen heeft dat geen gevolgen voor bedrijven zolang hun vergunning niet is gewijzigd, of totdat het Activiteitenbesluit daarop is aangepast. Via een beroep op gelijkwaardigheid kan er echter wel gebruik van worden gemaakt, de herziene richtlijn is immers een weergave van de huidige BBT.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de versie uit 2011 zijn:

  1. Er is nu een generieke mogelijkheid om gelijkwaardige maatregelen te treffen, in plaats van strikte naleving van de voorschriften. In de versie van 2011 was dat alleen bij een handvol voorschriften toegelaten. Datzelfde geldt voor het gemotiveerd afwijken: zelfs als dat zou leiden tot een veiligheidsniveau dat lager is dan met het voorschrift is beoogd, maar rigide naleving zou leiden tot een onwerkbare situatie of als dat buitenproportioneel duur zou zijn. In de versie van 2011 waren – waar een gelijkwaardige maatregel of gemotiveerd afwijken was toegelaten – voorbeelden opgenomen van toegelaten oplossingen. Deze zijn nu niet meer opgenomen maar overgeheveld naar een faq-lijst op de PGS-site: deze lijst is uiteraard niet limitatief maar omvat alleen voorbeelden van geaccepteerde alternatieven.
  2. Het beschermingsniveau 2 (BN 2, voor opslagruimten van meer dan 10 ton) is vervallen voor nieuwe situaties (oprichtingssituaties), er waren vaak knelpunten bij de garantie van opkomsttijden van de brandweer. Bestaande situaties met BN 2 lopen gewoon door: dat zijn allemaal vergunningplichtige opslagsituaties en zo lang de vergunning niet wijzigt blijft dat gewoon geldig. Bij herziening van de vergunning kan worden bezien of BN 2 kan worden gecontinueerd of dat gekozen wordt voor beschermingsniveau 1, beschermingsniveau 3 of het nieuwe beschermingsniveau 2a. Een en ander met een beroep op schadevergoeding als dat andere niveau duurder uitvalt.
  3. Het nieuwe beschermingsniveau 2a (BN 2a) heeft net als BN 2 betrekking op opslagen tussen 10 en 100 ton. Er is daarbij geen blusinstallatie vereist, bij deze opslagen wordt uitgegaan van een uitbrandscenario. Wel is een brandmeldinstallatie vereist, en ook wordt bezien (BN 2a moet bij vergunning worden toegelaten) of de locale situatie dat toelaat: daarbij wordt gekeken naar de kans op overslag van een brand naar andere gebouwen en de bereikbaarheid voor de brandweer om die andere gebouwen zonodig nat te houden.
  4. Ook bedrijven die een opslag hebben tot 10 ton maar eigenlijk zouden willen uitbreiden, maar waarvoor BN 1 of BN 2 te duur of niet uitvoerbaar was, kunnen gebruik maken van het nieuwe BN 2a. Of dat wordt vergund hangt van de situatie af: een gemengde opslag van 30 ton met ADR 3, 8 en 9 is uiteraard anders dan een opslag met 100 ton ADR 3.
  5. Ook nieuw is het beschermingsniveau 4 (BN 4) voor opslagruimten groter dan 10 ton, waarvoor het beschermingsniveau 3 als te zwaar werd beschouwd. BN 4 is bedoeld voor niet-brandbare en niet-brandonderhoudende stoffen.
  6. Er is meer armslag gekomen om in één ruimte, naast gevaarlijke stoffen ook andere stoffen op te slaan. Niet alleen meer de oude formulering van zogeheten aanverwante stoffen maar ook zogeheten koopmansgoederen. Dat kan onder meer handig zijn bij samengestelde verpakkingen.
  7. Bij opslagen van meer dan 10 ton met beschermingsniveau 1, is de beoordeling van het UPD neergelegd bij de vergunningverlener en heeft de inspectie-instelling meer een rol als adviseur gekregen. Dat geldt ook bij de vijfjaarlijkse herziening waarbij duidelijker is aangegeven dat het geen vanzelfsprekendheid is dat om de vijf jaar een herziening van het UPD zou moeten plaatsvinden. 
  8. Veel voorschriften zijn beter geformuleerd waardoor daar minder discussie over is. Dat geldt onder meer bij opslag tegen een gevel (ook van gasflessen) met zijwanden en/of een dak, een zogeheten bushokje. Ook is nu helder dat een ‘echt leeg’ omhulsel waarin zich geen product meer bevindt (door spoelen, uitdampen enz.) geen verpakking meer is en niet onder PGS 15 valt. Desondanks blijven er vage begrippen zoals ‘werkvoorraad’ waar lidbedrijven in twijfelgevallen uiteraard een beroep kunnen blijven doen op de expertise bij FME. Dat geldt ook voor de journaalverplichting die is omgezet van een ‘actueel overzicht’ naar een ‘representatief overzicht’.  

Exclusief voor FME-leden