Brussel moet niet praten, maar zijn markt beschermen
De nieuwe handelsafspraken van EU-handelscommissaris Šefčovič met China zijn weinig meer dan een doekje voor het bloeden. Ze veranderen namelijk amper iets aan de massale Chinese exportgolf. De Europese Raad van volgende week moet dan ook het kantelpunt zijn waarop Brussel uit de slaapstand komt, effectiever zijn eigen markt beschermt en onze industrie niet langer te grabbel gooit.
Opinie door Theo Henrar, bestuursvoorzitter van FME, en Geoffroy Feij, belangenbehartiger Internationaal Ondernemen bij FME. Dit opinieartikel is eerder gepubliceerd op de website van de Volkskrant.
Cijfers spreken boekdelen. Tussen 2020 en 2025 nam de Chinese export naar de EU toe met 43%. Het Europese handelstekort met China is inmiddels 1,2 miljard euro per dag. Steeds vaker bestaat die export uit hoogtechnologische producten, zoals auto's, machines en elektrische componenten; sectoren waarin Europa traditioneel sterk staat. Chinese exporteurs verdringen Europese bedrijven niet alleen uit onze eigen markt, maar bedreigen ook onze exportpositie. De ECB waarschuwt zelfs dat de druk uit China gevolgen kan hebben voor bijna een derde van de werkgelegenheid in de eurozone.
Tegen deze achtergrond is het moeilijk uit te leggen dat EU-handelscommissaris Šefčovič alleen tot afspraken is gekomen over het verminderen van de Chinese export van hybride elektrische auto’s.
De Nederlandse technologische industrie is niet bang voor concurrentie of vrijhandel. Integendeel. Bedrijven zijn onderdeel van internationale waardeketens en concurreren op wereldmarkten. Maar concurrentie en handel moeten eerlijk zijn. Dat is nu absoluut niet het geval.
Een recent OESO-rapport laat zien dat staatssteun de motor is achter de opmars van Chinese bedrijven. Zij ontvangen gemiddeld zesmaal zoveel staatssteun als Europese bedrijven. Ongeveer 60% van hun marktaandeelgroei sinds 2005 is hieraan te danken. Ook profiteren Chinese exporteurs van een ondergewaardeerde munt. Sinds 2021 is de renminbi ten opzichte van de euro reëel met 38% in waarde gedaald. Zo zijn Europese bedrijven de pineut en is er een ongelijk speelveld van hier tot Beijing.
Afhankelijkheid als drukmiddel
‘Hoe langer we wachten, hoe groter de pijn in de toekomst zal zijn’, stelde de WRR in een recent rapport. Dat is de spijker op z’n kop. Volgens de VN is China in 2030 goed voor 45% van de mondiale industriële productie. Daarnaast is China inmiddels koploper in het onderzoek naar 67 van de 74 sleuteltechnologieën. Zo worden we met de dag kwetsbaarder voor economische chantage. Dat is geen theoretisch risico. Chinese exportrestricties op zeldzame aardmetalen, permanente magneten en chips laten zien dat Beijing steeds vaker afhankelijkheden inzet als geopolitiek drukmiddel.
Ontkoppeling is niet het juiste antwoord. China blijft een relevante handelspartner en is voor veel bedrijven een grote afzetmarkt. Maar openheid mag geen synoniem worden voor naïviteit. Open markten werken alleen als we ze kunnen verdedigen.
Bescherming komt te laat
Op papier heeft de EU een uitgebreid arsenaal aan handelsbeschermingsinstrumenten. Met antidumping, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen kan Brussel optreden tegen oneerlijke concurrentie. In de praktijk sluiten deze instrumenten niet aan op de realiteit van vandaag.
Onderzoeken naar oneerlijke handelspraktijken duren allereerst veel te lang. Klachten blijven inmiddels 12 maanden liggen bij de Europese Commissie. Het afronden van onderzoeken kan ook nog eens 18 maanden duren. Voor bedrijven is dat mosterd na de maaltijd.
Ook zijn maatregelen met speels gemak te omzeilen. Een minimale, vaak cosmetische bewerking kan voldoende zijn om een product in een andere productcategorie te laten vallen, waardoor handelsmaatregelen niet meer gelden.
Bovendien ontbreekt het Brussel aan capaciteit om oneerlijke handelspraktijken te onderzoeken. Het VK beschikt over een vergelijkbare capaciteit, terwijl het bijna acht keer minder importeert dan de EU.
Van woorden naar daden
De Europese Commissie wil het aandeel van de maakindustrie in het Europese bbp verhogen van 14,3% in 2024 naar 20% in 2035. Dat kan alleen als Brussel het beschermen van de markt serieus gaat nemen.
Dat betekent: sneller maatregelen nemen, vaker op eigen initiatief onderzoek starten, de productreikwijdte van maatregelen makkelijker aanpassen en fors meer capaciteit vrijmaken om oneerlijke handelspraktijken te onderzoeken. Daarnaast moet de EU een nieuw instrument ontwikkelen waarmee het snel brede maatregelen kan nemen tegen structurele marktverstoringen van één land, zoals de VS dat bijvoorbeeld wél heeft.
"We will use all the tools at our disposal to rebalance our relationship", stelde commissievoorzitter Ursula von der Leyen onlangs in relatie tot China. Het is nu tijd dat de EU-regeringsleiders, inclusief premier Jetten, die woorden omzetten in daden.
Lees het hele opiniestuk op de website van de Volkskrant